Steeds meer maatregelen nodig om infrastructuur veilig te houden
Een steeds groter deel van de infrastructuur nadert het einde van de levensduur. De urgentie om meer instandhoudingsmaatregelen uit te voeren is hoog. Dat blijkt uit de op 8 december verschenen ‘Staat van de Infrastructuur 2024’ van Rijkswaterstaat en ProRail. Bij het hoofdwegennet neemt het risicoprofiel toe, onder andere door problemen als gevolg van waterstofverbrossing en de kwetsbaarheid van tandnokconstructies.

Foto: Traffic & More.
In de rapportage Staat van de Infrastructuur 2024 geeft Rijkswaterstaat jaarlijks inzicht in de technische staat van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem. Ook dit jaar blijkt uit de rapportage dat de infrastructurele netwerken ‘gemiddeld’ tot ‘goed’ presteren. “We zien echter ook een zorgelijke ontwikkeling. Uit de beoordeling van de infrastructuur blijkt dat een steeds grotere inspanning noodzakelijk is om de infrastructuur veilig te kunnen gebruiken. Rijkswaterstaat moet meer beheersmaatregelen nemen om de infrastructuur veilig en beschikbaar te houden. Er zijn meer objecten met een verhoogd inspectieregime vanwege technische risico’s en er is een groeiend aantal objecten met een gewichts- of doorvaartbeperking. De noodzakelijke beheersmaatregelen leiden tot meer hinder voor de gebruiker. Bovendien leidt het tot aanzienlijke extra kosten bovenop de geplande uitgaven en drukt het andere geplande maatregelen naar achteren in de programmering. Dit heeft als gevolg dat de infrastructuur verder veroudert”, aldus ing. Robert Tielman, minister van Infrastructuur en Waterstaat en staatssecretaris Thierry Aartsen in een brief aan de Tweede Kamer op 8 december.
Op het hoofdwegennet heeft inmiddels 59% van de bruggen minder dan een derde van de verwachte levensduur over. Op het hoofdvaarwegennet geldt dit voor 56% van de bruggen en op het hoofdwatersysteem voor 53% van de spuisluizen en 58% van de stuwen. De Algemene Rekenkamer becijfert dat de achterstanden in het onderhoud al 54,5 miljard euro bedragen: 20 miljard voor ProRail en 34,5 bij Rijkswaterstaat.
Meer geld nodig
Met het huidige financiële kader is het voor Rijkswaterstaat niet mogelijk om de productie verder te verhogen. Een aanzienlijk deel van de noodzakelijke vernieuwing én nieuwe aanleg in het lopende MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) kan daardoor (nog) niet worden uitgevoerd. Het gevolg is verder oplopend uitgesteld onderhoud en een toenemende kans op storingen en beperkingen op de netwerken. Er moet op deze wijze de komende jaren steeds meer worden geïnvesteerd in correctieve en levensduurverlengende maatregelen, in plaats van planmatige en preventieve maatregelen.
Het nieuwe kabinet staat volgens de briefschrijvers voor een belangrijke keuze om de infrastructuur op basis van de huidige eisen operationeel te houden: “De beschikbaarheid van voldoende structurele middelen is daarvoor een randvoorwaarde. Het realiseren van verdere productieverhoging is voor Rijkswaterstaat anders niet mogelijk. Het alternatief is dat de prestaties van de netwerken naar beneden moeten worden bijgesteld in termen van bereikbaarheid, doorstroming en hinder. Dan zijn vergaande keuzes nodig om de veiligheid en beschikbaarheid van de infrastructurele netwerken te blijven garanderen.”
Vernieuwingsopgave
Uit de Staat van de Infrastructuur 2024 valt af te leiden dat met de huidige maatregelen de veroudering van de infrastructuur doorzet en het risico op storingen, beperkingen, onverwachte hinder en overlast verder toeneemt. De verwachte levensduur van de infrastructuur is daardoor afgenomen ten opzichte van 2023, waardoor de vernieuwingsopgave groeit.
Om de negatieve trend te keren en te voorkomen dat Nederland fysiek en economisch vastloopt, is een grotere inspanning op instandhouding nodig. Een inspanning die bovendien sneller van de grond moet komen. Rijkswaterstaat werkt daaraan: van januari 2024 tot en met juli 2025 heeft Rijkswaterstaat 83 objecten aangepakt. Het Meerjarenplan Instandhouding schetst de meerjarige en programmatische aanpak. De inzichten uit de Staat van de Infrastructuur onderbouwen de noodzaak om met prioriteit in te zetten op deze aanpak.