Kennisprogramma Zeespiegelstijging na zeven jaar afgerond

De zeespiegel stijgt en door klimaatverandering versnelt deze stijging de laatste decennia. In het Kennisprogramma Zeespiegelstijging is onderzocht wat de mogelijke gevolgen van zeespiegelstijging zijn voor bescherming tegen overstromingen en verzilting en hoe we hiermee om kunnen gaan. Belangrijkste conclusie: we kunnen Nederland veilig en leefbaar houden tot circa 5 meter zeespiegelstijging, maar dan moeten wel de juiste maatregelen worden genomen.

Door het nemen van de juiste maatregelen kunnen we in Nederland blijven wonen, in principe tot 5 meter zeespiegelstijging.

Tekst: ing. Frank de Groot
Beeld: Kennisprogramma Zeespiegelstijging

Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging is gestart in 2019 en afgerond in juni 2026. Opdrachtgever waren de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Deltacommissaris. Doel van het Kennisprogramma was om voor het hoofdwatersysteem te onderzoeken hoe we Nederland kunnen blijven beschermen tegen overstromingen en verzilting op basis van huidige beleidsuitgangspunten (zie Figuur 1). Om deze vraag te beantwoorden is de robuustheid onderzocht van de huidige aanpak voor waterveiligheid (waterkeringen en kunstwerken), de zandige Noordzeekust en de zoetwaterbeschikbaarheid bij een zeespiegelstijging tussen 0,5 en 5 meter (zie Figuur 3). 

Voor de lange termijn (na 2100) zijn alternatieve denkrichtingen verkend: Meegroeien, Meebewegen, Zeewaarts en Beschermen (zie Figuur 4) met open of gesloten verbindingen naar zee. Via een impactanalyse zijn globaal de effecten op gebruiksfuncties zoals landbouw, natuur en scheepvaart in beeld gebracht. 

Tot 5 meter

De zeespiegel blijft stijgen, maar de snelheid is onzeker. Die hangt ook af van de wereldwijde CO2­uitstoot. Hoe sneller de zeespiegel stijgt, hoe groter en zwaarder de opgave. Als we de verandering in het klimaat, de zeespiegel en de samenleving goed volgen en ons blijven verdiepen in manieren om ermee om te gaan, kunnen we steeds op basis van de beste kennis handelen.

Het veilig en leefbaar houden van Nederland legt een toenemend beslag op de schaarse ruimte, energie en grondstoffen als zand en klei: voor steeds hogere en bredere dijken, meer grote gemalen, sterkere stormvloed keringen, meegroeiende oeverzones, aangepast bouwen en fors meer zandsuppleties voor de kust. Daarnaast moeten we het landgebruik aanpassen aan toenemende verzilting in kustprovincies. Dit alles vraagt soms ingewikkelde keuzes met maatschappelijke gevolgen en gaat meer geld kosten. Zo kunnen we wél in Nederland blijven wonen, in principe tot 5 meter zeespiegelstijging.

Figuur 1. De centrale vragen in het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.

Verzilting

Uit het Kennisprogramma blijkt dat de eerste vraagstukken nu al spelen en er snel nieuwe bij komen. Er is steeds vaker niet genoeg zoetwater om alle polders in de kuststreek net zo zoet te houden als nu. In eerste instantie komt dat vooral door afnemende zomerafvoeren van rivieren door klimaatverandering. Deze problematiek zagen we ook bij de droogte in deze zomer. De Rijn bereikte toen in augustus een historisch laag peil bij Tolkamer (circa 6,25 meter). Daarboven versterkt zeespiegelstijging de verzilting doordat meer zout kwelwater in de sloten komt en meer zeewater verder de rivieren op dringt. Ook dit zagen we in sterke mate in de afgelopen zomer in het westen van Nederland.

Er is bij een zeespiegelstijging veel meer rivierwater nodig om dit te bestrijden dan nu, terwijl de aanvoer van rivierwater afneemt. Met verschillende maatregelen kunnen we de verzilting lokaal of regionaal wel blijven beperken, maar niet tot op het huidige niveau. Het water wordt onvermijdelijk zouter, waardoor aanpassing van het landgebruik nodig is. Vooral bollentelers en boomkwekers in het westen gaven in de afgelopen zomer aan dat hun gewassen veel last hebben van de verzilting. Bij extreme verzilting kunnen zelfs verschillende flora en fauna verdwijnen en kan het water niet meer gebruikt worden als bron voor de bereiding van als drinkwater. Op alle locaties in Nederland waar oppervlaktewater wordt gewonnen voor drinkwater, staat de waterkwaliteit onder druk door de klimaatverandering.

Zeespiegelstijging

Nederland komt steeds lager ten opzichte van de zeespiegel te liggen. Het wordt moeilijker om overtollig regen­ en rivierwater in natte tijden af te voeren naar zee. Nu kunnen we nog onder vrij verval spuien. De mogelijkheid om water onder vrij verval naar zee te spuien wordt al beperkt bij minder dan 0,5 meter zeespiegelstijging. Steeds vaker moeten aanvullend pompen ingezet worden om wateroverlast in de achterliggende gebieden te voorkomen of om de zoutindringing bij de zee- en spuisluizen tegen te gaan. Uiteindelijk zijn we volledig op pompen aangewezen om onze spuicapaciteit te vervangen, bijvoorbeeld bij IJmuiden (vanaf 0,4 meter zeespiegelstijging), de Afsluitdijk (vanaf 0,8 – 1,0 meter zeespiegelstijging), de Krammersluizen (vanaf 1,5 meter zeespiegelstijging) en Bath (vanaf circa 2,5 meter zeespiegelstijging). 

Een vraag die waarschijnlijk al eerder komt is bij welke waterstand we de stormvloedkeringen willen sluiten: handhaven we het huidige sluitpeil (waardoor de keringen vaker dichtgaan) of verhogen we het sluitpeil (waardoor hogere dijken nodig zijn en buitendijks gebied met hogere waterstanden te maken krijgt)? Daarnaast zijn in de tweede helft van deze eeuw alle stormvloedkeringen aan vervanging toe. Zo bereiken onder meer de Maeslant kering (vanaf 2070) en de Oosterscheldekering (vanaf 2080) dan het einde van de levensduur waar ze voor ontworpen zijn. Mogelijk is de levensduur iets op te rekken; dat wordt onderzocht.

Figuur 2. Basis op orde houden.

Wat moeten we doen?

Er zijn verschillende opties voor het omgaan met zeespiegelstijging. We kunnen de huidige aanpak uitbreiden of nieuwe oplossingen toepassen, zoals:

  • Nieuwe Waterweg afdammen en het rivierwater met megapompen naar zee afvoeren.
  • Regio Rijnmond­Drechtsteden inrichten als een polder.
  • Een groot kustmeer inrichten als buffer voor hoge rivierafvoeren.
  • Afgedamde zeearmen weer volledig open maken en land­waterovergangen laten meegroeien met de zeespiegelstijging.

Wat we ook kiezen, de gevolgen zijn groot: onder meer voor de scheepvaart, de haven, de beschikbare ruimte in stedelijk gebied, de veiligheid in buitendijkse gebieden, landbouw en natuur. Daarnaast moeten we de basis op orde houden (zie Figuur 2). We kunnen ons namelijk wel blijven beschermen tegen overstromingen en verzilting, maar dan moet altijd een sterke basis houden:

  1. Kustlijn op zijn plaats houden met steeds meer en grotere zandsuppleties.
  2. Dijken en andere waterkeringen steeds hoger en sterker maken.
  3. Steeds meer pompen inzetten om water af te voeren naar zee.
  4. Verzilting zo efficiënt mogelijk bestrijden waar het kan en leren leven met verzilting waar het moet.
    • Basis op orde: hoe houden we steeds voldoende ruimte, materialen, menskracht, kennis en financiële middelen beschikbaar om op te schalen zodra dat nodig is?

Keuzes maken

Technisch gezien kunnen we op basis van de huidige inzichten voorlopig goed vooruit met de huidige aanpak, afhankelijk van de snelheid van de zeespiegelstijging. Dat is over het geheel genomen minder complex en ingrijpend dan overstappen op een andere strategie. Wel vraagt dit op korte termijn al grote investeringen en een aantal grote besluiten:

  • Omgaan met verzilting: hoe verdelen we het schaarse zoete water in perioden met watertekort?
  • Natuurlijke processen: waar laten we land­water overgangen meegroeien met de zeespiegelstijging voor robuuste waterveiligheid?
  • De verdeling van het Rijnwater: hoe verdelen we het Rijnwater over de Waal en de IJssel, bij hoge en bij lage afvoeren, voor de waterveiligheid en de beschikbaarheid van zoetwater?
  • Waterpeil IJsselmeer: willen we meer speelruimte creëren in het peilbeheer van het IJsselmeer, voor een grotere zoetwaterbuffer, het beperken van wateroverlast en robuuste natuur?
  • Stormvloedkeringen: op tijd vervangen zodat ze goed blijven functioneren. De eerste vervangingen komen in de tweede helft van deze eeuw. 
De Maeslantkering is een in 1997 in gebruik genomen stormvloedkering op de grens van Het Scheur en de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland. Vanaf 2070 is vervanging nodig. Foto: Rijkswaterstaat.

We moeten ons tijdig voorbereiden op de te maken keuzes. Kiezen we voor open, afsluitbare of afgedamde zeearmen en riviermondingen? Dit zijn geen nieuwe oplossingen, ze komen allemaal al in Nederland al voor. Afhankelijk van de snelheid van de zeespiegelstijging kan dit moment ook eerder of later komen. Waar we voor een andere oplossing kiezen, moeten we rekening houden met een lange voorbereidingstijd. Andere maatschappelijke en economische ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om deze keuze eerder te maken.

Als we doorgaan met de huidige aanpak:
Grote besluiten nu voorbereiden Grote besluiten over 100 à 150 jaar
Hoe houden we zand en klei beschikbaar voor zandsuppleties en dijkversterkingen? Per zeearm/riviermonding:
Hoe houden we ruimte beschikbaar voor dijkversterkingen? Open verbinding met de zee
Hoe verdelen we het schaarse zoete water? Afsluitbaar met stormvloedkering
Land-waterovergangen laten meegroeien voor robuuste waterveiligheid? Afdammen zeearm/riviermonding
Hoe verdelen we het Rijnwater bij hoge en lage rivierafvoeren?  
Flexibeler peil in IJsselmeer voor grotere zoetwaterbuffer en natuur?  
Sluitpeilen van stormvloedkeringen handhaven of verhogen?  
Alle stormvloedkeringen vernieuwen: einde levensduur  
  Of eerder, bijvoorbeeld vanwege ruimtelijke of economische ontwikkelingen

Hoe verder?

Dankzij het Kennisprogramma Zeespiegelstijging hebben we nu inzicht in de mogelijke opties voor het omgaan met zeespiegelstijging, gezien door de bril van het waterbeheer. Wat de beste aanpak is, hangt echter ook af van andere ruimtelijke, economische en maatschappelijke wensen en ontwikkelingen. Daarmee gaat het uiteindelijk om een politiek­bestuurlijke afweging.

Dit kunnen we doen om tot goede afwegingen te komen:

  1. Altijd voorbereid op grote keuzes: na de ramp van 1953 en de overstromingsdreiging in het rivierengebied in de jaren negentig kon Nederland razendsnel adequaat handelen, omdat de plannen al klaarlagen. Ook nu is het belangrijk om steeds goede plannen klaar te hebben, omdat we niet weten hoe snel de zeespiegel gaat stijgen. Dit vraagt blijvende verdieping van de kennis over de gevolgen van zeespiegelstijging en de mogelijke oplossingen.
  2. Leren van ervaringen: we kunnen de balans opmaken van 30­70 jaar ervaring met de deltawerken, andere programma’s en (buitenlandse) ervaringen met aanpassingen in het landgebruik aan verzilting. Niet alleen waterstaatkundig, maar ook maatschappelijk, economisch en ecologisch.
  3. Het perspectief verbreden: hoe kunnen andere belanghebbenden omgaan met zeespiegelstijging, hoe beïnvloeden de functies elkaar en welke transities tekenen zich af? Dit kan nieuwe inzichten en zelfs nieuwe oplossingen opleveren. Een samenhangend perspectief voor de toekomstige waterstaatkundige inrichting van onze delta, in samenhang met andere ruimtelijke keuzes, kan desinvesteringen zoveel mogelijk voorkomen.

De resultaten van het kennisprogramma zijn recent benut voor het opstellen van de Ontwerp Nota Ruimte (2025) en de nu lopende herijking van het Deltaprogramma (2026). De uitwerking van het actuele waterbeleid vindt momenteel plaats in het kader van de actualisatie van het Nationaal Waterprogramma 2028-2033 (NWP).

Kennisprogramma downloaden? Ga naar https://www.deltaprogramma.nl/kennisprogramma-zeespiegelstijging.

 

Figuur 3. Scenario’s voor zeespiegelstijging voor de kust van Nederland. De gele zone geeft aan binnen welke bandbreedte de gemiddelde zeespiegelstijging naar verwachting uitkomt, afhankelijk van de wereldwijde uitstoot van CO2. Dit is de bandbreedte tussen het hoge en lage scenario. Deze bandbreedte vormt het uitgangspunt voor de conclusies in het rapport. De rode lijn geeft aan hoe snel de zeespiegel stijgt als de Antarctische ijskap instabiel wordt. Deze zeer extreme situatie is in het rapport voor een stresstest gebruikt.
Figuur 4. Voor vier denkrichtingen is verkend hoe Nederland er op lange termijn uit kan zien.