Wie is de baas op de bouwplaats?

Artikel delen

Als je aan een uitvoerder van een aannemer vraagt wie er de baas is op de bouwplaats, zeggen zij steevast: dat ben ik. Maar dat is niet altijd zo.
 
Tekst: Pim Herber
 
UAV 2012
Bij RAW bestekken zijn de UAV 2012 van toepassing. In par. 6 lid 2 UAV 2012staat het volgende: ‘De aannemer is verplicht het werk uit te voeren volgens de door de directie te verstrekken en de door haar goed te keuren tekeningen. Hij verplicht de orders en aanwijzingen op te volgen die hem door de directie worden gegeven.’
Dus niet de uitvoerder, maar de directie is op de bouwplaats de baas! De aannemer moet immers zijn orders een aanwijzingen opvolgen. Dat betekent dat de directie zich mag bemoeien met de wijze waarop de aannemer het werk uitvoert. Zo mag hij de aannemer een andere uitvoeringsmethode opdragen als de aannemer voor ogen stond. Maar de aannemer is niet rechteloos. Want als de directie zich bemoeit met de uitvoering en daarmee van de aannemer meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, heeft de aannemer recht op bijbetaling. Voor de aannemer is belangrijk om te weten dat hij zo’n claim tot bijbetaling zo spoedig mogelijk schriftelijk bij de opdrachtgever (dus niet bij de directie!) moet indienen.
 
UAV GC 2005
De UAV GC worden vaak van toepassing verklaard als de aannemer geheel of gedeeltelijk het ontwerp maakt van het werk dat hij daarna gaat maken. De UAV GC kennen geen bepaling waarin de opdrachtgever of zijn gemachtigde aan de aannemer orders of aanwijzingen kan geven. Dat is bewust gedaan; bij dit contractmodel wordt het niet zinvol geacht dat de opdrachtgever tijdens de uitvoering kan ingrijpen door de aannemer orders of aanwijzingen te geven die de aannemer moet opvolgen. Niet alle opdrachtgevers zijn blij dat zij bij UAV GC werken geen orders of aanwijzingen kunnen geven en bedingen in aanvulling op de UAV GC dat zij dat wel kunnen doen. Maar dat kan ook heel fout gaan!
 
Uitspaak AGRAC.
In 2012 sloot Rijkswaterstaat met aan aannemer een UAV GC contract over het ontwerpen en uitvoeren van de reconstructie van een rijksweg. In aanvulling op de UAV GC had Rijkswaterstaat de volgende bepaling in het contract gezet: ‘In geval van een geschil is de Opdrachtnemer gehouden de Werkzaamheden op vordering van de Opdrachtgever volgens zijn aanwijzingen voort te zetten, tenzij de Raad van Arbitrage voor de Bouw in spoedgeschil anders beslist en onverminderd zijn rechten, die uit bedoelde uitspraak voor hem mochten voortvloeien.’
 
De aannemer maakt voor de weg een fundering die bestaat uit AGRAC (een mengsel van asfaltgranulaat en cement). Om te voorkomen dat in de bovenliggende lagen scheurvorming kan ontstaan, moet het AGRAC ‘ontspannen’ worden. Dat kan op twee manieren: door de AGRAC te kerven, of door een scheurremmende tussenlaag aan te brengen. De aannemer kiest ervoor om te kerven, maar daar is Rijkswaterstaat het niet mee eens; die wil dat de scheurremmende tussenlaag wordt aangebracht. De aannemer houdt voet bij stuk, waarna Rijkswaterstaat de order geeft om te stoppen met kerven. Dat pikt de aannemer niet: het aanbrengen van een scheurremmende tussenlaag kost veel meer geld en tijd. De aannemer spant een spoedprocedure aan bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw.
 
Vonnis no. 35.055
In de uitspraak maken arbiters korte metten met het standpunt van Rijkswaterstaat. Arbiters overwegen dat hen uit eigen wetenschap bekend is dat kerven van een wegfundering in de wegenbouwbranche sinds jaar en dag als methode van ontspannen van een wegfundering wordt aangemerkt. Bovendien staat in de Handleiding Wegenbouw Ontwerp Verhardingen – een publicatie van Rijkswaterstaat! – dat kerven van een wegfundering een toegestane methode is om de fundering te ontspannen. Indien Rijkswaterstaat per se wil dat de aannemer een scheurremmende tussenlaag aanbrengt, had zij de aannemer een wijziging moeten opdragen waarbij zij de aannemer alle extra kosten die hiervan het gevolg zijn, had moeten vergoeden.
Kortom: Rijkswaterstaat kon niet aantonen dat de aannemer, door de wegfundering te kerven, wanprestatie pleegde en daarom werd de vordering van de aannemer toegewezen. Naar verluidt gaat het om een vordering van vele miljoenen euro’s.
 
Conclusie
Het is niet voor niets dat in de UAV GC niet is opgenomen dat de opdrachtgever orders en aanwijzingen kan geven. Bij de UAV GC staat de opdrachtgever meer op afstand dan het geval is bij een RAW bestek. Bij een UAV GC contract is het aan de aannemer om te bepalen hoe hij de wegfundering ‘ontspant’. Bij een RAW bestek is dat natuurlijk anders; de opdrachtgever kan in het bestek de resultaatsverplichting opnemen die inhoudt dat op de wegfundering een scheurremmende tussenlaag moet worden aangebracht, en dat is dan een besteksverplichting voor de aannemer.
Iedere keer dat een opdrachtgever een werk wil laten maken, moet hij zich afvragen of hij veel of weinig invloed wil kunnen uitoefenen op de werkzaamheden van de aannemer. Als hij veel invloed wil, moet hij een UAV 2012 contract afsluiten. Als hij dat niet wil en niet alleen het ontwerp, maar ook de uitvoering daarvan aan de aannemer wil overlaten, is een UAV GC contract het beste.
Rijkswaterstaat wilde van twee walletjes eten: een UAV GC contract afsluiten en toch de mogelijkheid houden de aannemer orders en aanwijzingen te geven. Dat druist in tegen het karakter van een UAV GC contract, maar is toegestaan. Maar als je dan als opdrachtgever een verkeerde order of aanwijzing geeft, zijn de druiven wel heel erg zuur. De aannemer kan dan immers alle schade die hij daardoor heeft geleden op de opdrachtgever verhalen.
 

Vragen?

Als u vragen heeft over dit artikel of belangstelling heeft voor een cursus UAV, UAV GC of aanbestedingsrecht, mail mij dan gerust: pim.herber@hetnet.nl.