Overdracht van rechten en vorderingen

Artikel delen

De Raad van Arbitrage voor de Bouw heeft op 15 april 2020 in een zogenaamde bevoegdheidsgeschil uitspraak gedaan. Inzet was de aanspraak op schadevergoeding van A, bijgestaan door zijn verzekeraars B. t/m G., jegens H., geleden ten gevolge van een door H. geleverde, gebrekkige stoominstallatie ten behoeve van de apotheek in – vermoedelijk – ziekenhuis I.

Tekst: Bard van Veen

Leg afspraken goed vast!

 

H. had aangevoerd dat A. helemaal geen partij was bij de aannemingsovereenkomst tussen H. en I., en dat er geen arbitraal beding tussen hem en A. bestond. A. was het daarmee uiteraard niet eens. Arbiter liep vervolgens de verweren van H. langs.
A. ontkent niet dat hij geen partij bij de overeenkomst tussen H. en I. is. A. heeft aangevoerd dat hij de apotheek, en daarmee de stoominstallatie had gekocht, en daardoor de rechten van I. op H. had verkregen; H. zou dat ook geweten hebben, en nooit gezegd hebben dat A. H. niet zou kunnen aanspreken. H. zegt op zijn beurt dat niet A. maar J. eigenaar is van de apotheek.
Arbiter stelt vast dat de aannemingsovereenkomst inderdaad ziet op de nieuwbouw van een apotheek. Tegelijk wijst arbiter op een tweetal notariële aktes die betrekking hebben op het leveren van een opstalrecht voor de installaties van I. naar A. In de in die akte opgenomen definitie van ‘Installaties’ staat de stoominstallatie echter niet genoemd.
Wel staat vermeld dat I. aan A. alle aanspraken die I. ten opzichte van derden ter zake de installaties kan of zal kunnen doen gelden, overdraagt, als dat niet al wettelijk via zogenaamde ‘kwalitatieve rechten’ gaat. Zo’n bepaling zie je vaker, en heeft als doel en voordeel een koper in staat te stellen direct de – in dit geval – aannemer aan te spreken.
Maar, A. had in de andere notariële akte richting haar zustervennootschap J. verklaard afstand te doen van het opstalrecht, waarmee het niet langer bestond. Uit diezelfde akte bleek dat J. inmiddels ook eigenaar van de apotheek was geworden.

Kwalitatieve rechten

Anders dan A. vond arbiter het voorgaande wel degelijk relevant. De wet zegt namelijk dat je alleen belang hebt een ‘kwalitatief recht’ dat verbonden is aan een goed – in dit geval het opstalrecht – zolang je dat goed behoudt. ‘Kwalitatief’ slaat op de hoedanigheid (van eigenaar). Gelet op wat arbiter allemaal heeft vastgesteld, is het maar helemaal de vraag of A. die hoedanigheid nog heeft, en met het afstand doen van het opstalrecht niet gewoon ook van zijn ‘kwalitatieve rechten’ – in dit geval zijn aanspraak op schadevergoeding – afstand heeft gedaan.
Let dus goed op hoe één en ander wordt vastgelegd, en of je niet een voorbehoud of uitzondering moet maken. Als er via ‘kwalitatieve rechten’ geen rechten zijn overgedragen of er simpelweg niet meer zijn, dan zijn er nog maar een paar smaken (voor A.) over. Arbiter loopt die dan ook af, te weten contractsoverneming en cessie.

Contractsoverneming en cessie

Contractsoverneming vereist een overeenkomst tussen drie partijen, te weten de oorspronkelijk contractspartijen (I. en H.), en de nieuwe partij (A.). Bovendien moet H. met die overneming instemmen, en daarvan is niets gebleken.
Cessie kan plaatsvinden via een notariële akte tussen – in dit geval – I. en A., waarvan H. niet noodzakelijkerwijs op de hoogte hoeft te worden gebracht. Van de notariële akte waarbij het opstalrecht aan A. geleverd was heeft A. nooit gezegd dat dit een cessieakte was, nog daargelaten dat A. van het opstalrecht afstand heeft gedaan. Kortom, die is niet relevant. Cessie kan ook plaatsvinden via een overeenkomst tussen I. en A., maar dan is vereist dat van die cessie aan H. mededeling wordt gedaan. H. heeft aangevoerd dat hem nooit iets was bericht. Ik wijs er op dat veel overeenkomsten (al dan niet via algemene voorwaarden) cessieverboden bevatten, die, mits goed geformuleerd, aan cessie in de weg staan. Let daar dus goed op.
A. had echter nog een troef in handen. A. voerde als laatste verweer aan dat hij niet zijn vorderingsrecht, maar het vorderingsrecht van I. op H. in opdracht van I. te gelde maakte via een zogenaamde lastgevingsovereenkomst; A. had die overeenkomst in het geding gebracht, dus H. wist ervan, en had er ook op gereageerd.
Dat I. geen eigenaar meer is van de stoominstallatie betekent niet dat I. geen vordering meer heeft gelet op de aannemingsovereenkomst. Dat I. geen belang meer heeft bij de vordering dan wel geen schade zou hebben geleden, is niet relevant voor de bevoegdheid. Let erop dat dergelijke verweren dus pas in de hoofdzaak aan de orde (kunnen) komen. Arbiter vindt dat A. daarmee bevoegd is tot inning.
De aannemingsovereenkomst verwijst naar de UAVT-TI 1992, tenzij het bestek anders bepaalt. H. had aangevoerd dat hij beschikte over het juiste bestek, waarin de rechter bevoegd was verklaard. A. voerde op zijn beurt aan dat H. naar de onjuiste versie van het verwees, en dat in de juiste versie wel degelijk een arbitraal beding stond. H. had ook aangevoerd dat in een andere procedure tussen H. en A. bij de rechtbank de door H. in vrijwaring opgeroepen partij wel naar het door H. genoemde bestek verwezen had. Arbiters overweegt koeltjes dat dit niet betekent dat dit bestek onderdeel uitmaakte van de aannemingsovereenkomst tussen H. en I. Kortom, arbiter is het met A. eens, en verklaart het scheidsgerecht bevoegd.

Wat valt uit deze uitspraak te leren?

Zoals altijd, leg afspraken goed vast. Gebruik goede definities, kijk goed uit of de bedachte weg van overdracht van rechten contractueel toegestaan is, correct wordt vastgelegd, en aan alle eisen wordt voldaan. Laat u zich daarover goed adviseren. En, bij onduidelijkheid, wees creatief, zoals A. uiteindelijk was.

B.R. (Bard) van Veen is advocaat bij Severijn Hulshof Advocaten te Den Haag. Tel. (070) 304 55 90, E-mail: b.veen@shadv.nl, www.severijnhulshof.nl. Voor vragen over dit artikel of een cursus UAV, UAV-gc, RAW en/of aanbestedingsrecht, kunt u mij bereiken via het genoemde mailadres.

Het besproken geschil heeft nummer 36.709.