Toch geen ontwerpverantwoordelijkheid?

Artikel delen

Op 2 september 2022 is een interessante uitspraak gewezen bij de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (nr. 37.243). De kwestie ging over de uitleg van de overeenkomst en meer specifiek de vraag of onderaanneemster een ontwerpverplichting- en verantwoordelijkheid op zich had genomen.

Tekst: Bard van Veen

Dit project heeft geen relatie met het besproken geschil. Foto: Aannemersbedrijf A. van Ooijen.

Hoofdaanneemster heeft onderaanneemster aangesproken op gebreken in het door onderaanneemster verrichte werk, veroorzaakt door beweerdelijke ontwerpfouten van onderaanneemster. Omdat onderaanneemster weigerde deze ontwerpfouten zonder opdracht te herstellen, heeft hoofdaanneemster een derde partij ingeschakeld. In deze procedure vordert hoofdaanneemster betaling van de door haar gemaakte kosten. Onderaanneemster voert verweer, en stelt dat zij op grond van de overeenkomst geen ontwerpverplichting c.q. -verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. De ontwerpfouten komen volgens haar voor risico van hoofdaanneemster.

Ontwerpverplichting en -verantwoordelijkheid

Arbiters constateren dat partijen van mening verschillen over de uitleg van de tussen hen gesloten overeenkomst. Deze vaststelling brengt arbiters ertoe om de overeenkomst uit te leggen, en te bezien of onderaanneemster inderdaad geen ontwerpverplichting c.q. -verantwoordelijkheid heeft aangenomen. Arbiters zijn het met onderaanneemster eens op grond van de volgende argumenten.

  1. Hoofdaanneemster had in de offerteaanvraag alle werkonderdelen specifiek weergegeven, alsmede beschreven hoe de fundatie in kwestie moest worden opgebouwd, onder toezending van tekeningen. In de offerte heeft onderaanneemster vervolgens per onderdeel die werkzaamheden afgeprijsd, en binnen een kort tijdstip een volgens onderaanneemster zeer scherpe prijs afgegeven.
  2. In de offerteaanvraag noch in de overeenkomst zelf is het woord ‘ontwerp’ genoemd en dit is in de offerte ook niet aangeboden.
  3. Het door onderaanneemster op te stellen plan van aanpak is volgens arbiters niet meer dan het vertalen van het ontwerp naar de uitvoering.
  4. Hoofdaanneemster, althans haar opdrachtgever en adviseurs, hebben zich actief opgesteld bij de controle van het door onderaanneemster aangelegde straat- en rioleringsplan, en zelf ook wijzigingen voorgesteld c.q. doorgevoerd. Volgens arbiters hoort een dergelijke gang van zaken niet bij een situatie waarin onderaanneemster verantwoordelijk was voor het ontwerp en hoofdaanneemster daarop weinig invloed had.
  5. Partijen hebben zich volgens arbiters ook niet gehouden aan de volgens hoofdaanneemster van toepassing zijnde UAV-GC 2005, meer specifiek de daarin opgenomen toetsings- en acceptatieprocedures.
  6. Volgens arbiters kan een ontwerpverplichting evenmin worden gebaseerd op artikelen in de algemene voorwaarden. In dit geval bestaande uit de algemene voorwaarden van hoofdaanneemster zelf, alsmede de volgens haar van toepassing zijnde UAV-GC 2005, inclusief de wijzigingen en toevoegingen waarop hoofdaanneemster zich eveneens beriep. Arbiters overwegen dat bedingen die de omvang van de verplichtingen bepalen – in dit geval het verrichten van ontwerpwerkzaamheden – zogenaamde kernbedingen zijn en geen algemene voorwaarden. Met verwijzing naar art. 6:232 BW oordelen arbiters dat onderaanneemster niet expliciet akkoord is gegaan met die bedingen.
  7. Arbiters oordelen tevens dat de UAV-GC 2005 niet van toepassing zijn op deze overeenkomst. Hoofdaanneemster had de UAV-GC 2005 uitsluitend door middel van een verwijzing in haar eigen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In de offerteaanvraag zelf heeft hoofdaanneemster niet verwezen naar de UAV-GC 2005. Arbiters overwegen dat hoofdaanneemster eerst toen het geschil duidelijk werd gemeend heeft de UAV-GC 2005 door een verwijzing back-to-back aan onderaanneemster door te hebben gelegd. Partijen hebben zich echter tijdens de uitvoering in het geheel niet als partijen bij een UAV-GC 2005 overeenkomst gedragen.
  8. Arbiters overwegen dat bij het back-to-back doorleggen van rechten en verplichtingen een zodanig belangrijke set van voorwaarden als de UAV-GC 2005 expliciet en uitdrukkelijk moeten worden benoemd. Een in de algemene voorwaarden ‘weggemoffelde’ bepaling waarin staat dat alle voorwaarden die gelden tussen opdrachtgeefster en hoofdaanneemster ook gelden tussen hoofdaanneemster en onderaanneemster, is niet toereikend. Ditzelfde geldt voor een toepasselijkheidsverklaring van de UAV-GC 2005 in een bijlage bij de overeenkomst, welke bijlage op haar beurt in de overeenkomst zelf ook niet expliciet van toepassing is verklaard.

Zoals ik wel vaker heb betoogd, toont deze uitspraak eens te meer het belang van goede en duidelijke contractering.

Andere aspecten

Vervolgens staan arbiters stil bij de andere door hoofdaanneemster aangevoerde gronden voor aansprakelijkheid van onderaanneemster. De garanties in kwestie zijn enkel en alleen afgegeven op uitvoeringswerkzaamheden. De garantiedocumenten in kwestie bevatten geen garantieverplichting voor ontwerpfouten, noch is dat door onderaanneemster erkend.

Onderaanneemster heeft op grond van de overeenkomst en afgegeven garanties geen zelfstandige ontwerpverplichting en-verantwoordelijkheid ter zake het ontwerp van de fundering. Op onderaanneemster rustte dan ook niet de in § 13 UAV-GC 2005 opgenomen verplichting om haar werkzaamheden af te stemmen op de bodemgesteldheid ter plaatse. Omdat hoofdaanneemster had erkend dat sprake is van een ontwerpfout, stellen arbiters vast dat het daardoor veroorzaakte gebrek onderaanneemster dus niet is toe te rekenen.

Ook staan arbiters nog stil bij het door hoofdaanneemster gedane beroep een schending van de op onderaanneemster rustende waarschuwingsverplichting. Hoofdaanneemster vangt wederom bot. Arbiters oordelen dat onderaanneemster niet in strijd gehandeld heeft met een verplichting om de ondergrond te controleren of met een waarschuwingsplicht. Voor arbiters staat vast dat het voor onderaanneemster op voorhand niet kenbaar was dat het ontwerp, afkomstig van hoofdaanneemster, niet deugdelijk was. Daar komt bij dat onderaanneemster tijdens de uitvoering gemeld had dat het werk niet goed uitgevoerd kon worden vanwege de natte weersomstandigheden en de aanwezigheid van klei. Vervolgens is op voorstel van hoofdaanneemster een alternatief voorgesteld. Niet staat vast dat onderaanneemster van de ondeugdelijkheid van het alternatief van hoofdaanneemster bedacht moest zijn.

Tot slot staan arbiters stil bij een tweetal uitvoeringsfouten die hoofdaanneemster onderaanneemster verwijt. In beide gevallen, te weten ter zake het afschot en de toepasselijkheid van ondeugdelijke materialen, overwegen arbiters dat niet is vast komen te staan dat de schade waarvan hoofdaanneemster betaling vordert in causaal verband staat tot deze gestelde tekortkomingen.

Arbiters wijzen de vorderingen van hoofdaanneemster dan ook integraal af. Ik ben benieuwd naar het hoger beroep, als dat er komt.

B.R. (Bard) van Veen is advocaat bij Severijn Hulshof Advocaten te Den Haag. Tel. (070) 304 55 90, E-mail: b.veen@shadv.nl, www.severijnhulshof.nl. Voor vragen over dit artikel, kunt u mij bereiken via het genoemde mailadres. Het geschilnummer is: ECLI:NL:HR:2022:989.