Platform voor vraagstukken openbare ruimte
De bewaking van de kwaliteit van de openbare ruimte wordt een steeds grotere opgave. Naast de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dringen ook andere uitdagingen zich op. Denk aan klimaatadaptatie, voorkomen hittestress, toenemende verkeers- en parkeerdruk, milieu en circulariteit. Juist nu is uitwisseling van kennis belangrijk tussen beheerders en ontwikkelaars van openbare ruimte. De Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland doet dit al sinds 1898. “Binnen Stadswerk kunnen beheerders en ontwikkelaars leren van elkaars successen, maar zeker ook fouten”, zegt directeur Chris van Eunen.

Tekst: Frank de Groot
Beeld: Stadswerk, tenzij anders vermeld
We moeten terug naar 1898, voor de eerste gedocumenteerde bijeenkomst van de Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. Willem Hofkamp, directeur Gemeentewerken Leeuwarden, benaderde toen 24 gemeenten (‘G-24’) om met elkaar van gedachten te wisselen over hun dagelijkse bezigheden. Blijkbaar bestond er toen al behoefte om kennis uit te wisselen over een goed beheer en inrichting van de openbare ruimte.
Inmiddels hebben zich al circa 175 gemeenten en 64 organisaties bij Stadswerk aangesloten. Ook de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland is lid en heeft tevens haar secretariaat bij Stadswerk ondergebracht. Dat geldt eveneens voor de Vereniging Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen, Vereniging Nederlandse Riviergemeenten en IFME (International Federation of Municipal Engineering). Verder zien we andere bekende namen, zoals het Rijksvastgoedbedrijf, Provincies, NLadviseurs en diverse grote adviesbureaus en opleiders van MBO tot WO. “Feitelijk is er dus enorm veel kennis over het beheer van de openbare ruimte aanwezig. Het is toch zonde als je het wiel opnieuw moet uitvinden, terwijl een andere organisatie op een bepaald onderdeel al ervaring heeft opgedaan?”
Maak kennis met Stadswerk op de Vakbeurs Openbare Ruimte: Standnr. 2.3.02.
Veilig kennis delen
Bieden de huidige digitale omgevingen al niet genoeg ruimte voor kennisuitwisseling? Volgens Chris zeker niet: “Onze leden, zoals gemeenten, zien onze vereniging als veilige plek om kennis te delen, omdat iedereen gelijkwaardig is en hetzelfde belang heeft. Dat is ook de ziel van onze vereniging. Daarnaast kun je ook veel leren van elkaars fouten!”
Dan dringt de vraag zich op of de adviesbureaus niet lid zijn geworden om zich naar gemeenten te spoeden die aangeven problemen te ervaren bij de inrichting van de openbare ruimte. “Daar zijn we heel duidelijk over: het is niet de bedoeling dat een commerciële partij ons kennisnetwerk gebruikt om te acquireren. Daar zijn we ook heel streng in. Maar ik moet zeggen dat iedereen zich aan die gedragscode houdt. Sterker nog: commerciële bedrijven zijn ook bereid hun kennis te delen binnen ons platform, zonder dat er verplichtingen tegenover staan. Op die wijze kunnen we dus veel kennis ontsluiten en ook waarde toevoegen. Onze rol moet verder gaan dan alleen maar het doorsluizen van kennis.”
Hoe wordt de kennis gedeeld en ontsloten? “Dat doen we via fysieke en online bijeenkomsten. Dat kan een webinar zijn, een studiereis of excursie, regiobijeenkomsten, congressen en deelname aan vakbeurzen. Zo zijn wij partner van de Vakbeurs Openbare Ruimte en zijn daar ook beide dagen aanwezig. Verder organiseren Stadswerk en Koninklijke Vereniging van Hoveniers en Groenvoorzieners (VHG) samen jaarlijks de Boominfodag.”

Ambitie
Welke ambitie heeft Stadswerk? Toen Chris anderhalf jaar geleden directeur werd van Stadswerk, zag hij een worsteling met een goede duiding van ‘ambitie’: “Ik zag allemaal aandachtsgebieden, maar miste een duidelijke focus waarin we goed het verschil kunnen maken. Ik heb in het verleden veel in het onderwijs gezeten, dus dan ontwikkel je wel een gevoel voor ordening van versnipperde kennis. Daarom hebben we samen een ambitie voor 2030 geformuleerd, met vijf domeinen.”
De ambitie luidt als volgt:
‘In 2030 is Stadswerk het kennis- en samenwerkingsplatform voor professionals die werken aan de vitale openbare ruimte door met een sterk ledennetwerk aan kennis en toekomstbestendig vakmanschap te bouwen en maatschappelijk opgaven samen aan de pakken.’
De ambitie omvat vijf domeinen:
- Impact op maatschappelijke opgaven.
- Toekomstgericht vakmanschap.
- Toonaangevend kennisplatform.
- Sterk en toekomstbestendig ledennetwerk.
- Financiële en organisatorische slagkracht.
We doorlopen samen met Chris de vijf domeinen.
Impact op maatschappelijke opgaven
Stadswerk wil impact maken op het gebied van onder meer klimaatadaptatie, groen en circulariteit. Denk aan de inpassing van ruimtelijke opgaven in de openbare ruimte, zoals opvang en regulering van regenwater, anticiperen op langere perioden met droogte, verminderen van hittestress en vergroten van de biodiversiteit. Maar ook het gebruik van milieuverantwoorde en circulaire materialen in de openbare ruimte.
“We zoeken voor deze opgaven ook verbinding met kennispartners, zoals Cumela, brancheorganisatie voor ondernemers in groen, grond en infra en bijvoorbeeld RIONED, koepelorganisatie voor stedelijk waterbeheer. Hoe ga je straten inrichten? Denk aan wadi’s, waterdoorlatende stenen, meer groen, waterberging en het volgen van de 3-30-300-regel. Dat wil zeggen: iedere bewoner heeft zicht op minimaal drie bomen, er is 30% boomkroonbedekking per wijk en de maximale afstand tot een park is 300 meter. Maar ook een veilige woonomgeving, sportvoorzieningen en circulaire materialen. Het is een hele complexe opgave waarbij we elkaar nodig hebben”, aldus de Stadswerk-directeur.
Toekomstgericht vakmanschap
Ook gemeenten hebben volgens Chris te maken met de uitstroom van kennis, veelal door pensionering van vakmensen of de overstap naar een ander vakgebied: “De instroom aan de onderzijde is niet voldoende om het kennispeil op niveau te houden. Daarom komt er vanaf april 2027 een Nationaal Traineeship Openbare Ruimte.”
Een Nationale Traineeship is een inhoudelijk werk- en leerprogramma voor pas afgestudeerde HBO- of WO-starters, waarbij vier dagen werken wordt gecombineerd met één dag (vrijdag) intensieve trainingen en persoonlijke ontwikkeling. Chris: “We sluiten aan bij de bestaande Nationale Traineeships Landelijk Gebied en Water en Bodem. Onze Trainees Openbare Ruimte haken aan bij een bestaande gemeenschap met gelijksoortige instellingen en opgaves die zowel de trainees, instellingen en interdisciplinair werken ten goede komen.”
Hij vervolgt: “Los hiervan willen we met opleidingen instromers snel rijp maken voor het vakgebied. We werken hierbij samen met MBO, HBO en WO-onderwijsinstellingen. We streven naar een panklaar leermiddel voor onderwijsinstellingen, zodat docenten worden ontzorgd en bovendien de actualiteit wordt doorgegeven. Daarnaast hoopt Stadswerk via de talrijke eigen online en fysieke bijeenkomsten het kennisniveau te verhogen bij beheerders van openbare ruimte. Er zijn zoveel uitdagingen. Kijk naar de aanpak van jaren tachtig wijken, waarbij klimaatadaptatie en groen tijdens de inrichting nog geen prioriteit hadden.”
Toonaangevend en toekomstbestendig kennisplatform
Door het ontsluiten van veel kennis, inrichten van communities of practice, onderzoek, aandacht voor regelgeving en bieden van opleidingen streeft Stadswerk ernaar om in 2030 een toonaangevende kennisplatform voor de openbare ruimte te zijn. Daarbij hoort ook financiële en organisatorische slagkracht. Daarvoor heb je een sterk en toekomstbestendig kennisnetwerk nodig, waarbij het niet alleen gaat om consumeren, maar ook om aanbieden. Denk aan medewerking aan kennisgroepen of kennisevents. De één zal daarbij af en toe wat willen doen en de ander wat meer.”

Bewustzijn burgers
Een belangrijke succesfactor voor een vitale openbare ruimte is bewustzijn bij burgers: “Als het in de zomer heet is, zijn we blij met die bomen voor de deur. Maar in de herfst willen we geen blad op de stoep en als we de auto onder een boom parkeren mag er geen viezigheid op de auto komen. Je zult als gemeente bewoners dus duidelijk moeten maken wat de functie van die bomen is. Dat is verminderen van hittestress, vergroten van biodiversiteit, een gezondere leefomgeving en een verhoging van het welzijn. Het vraagt ook lef van gemeenten om hier sturend in op te treden.”
Er zijn volgens Chris diverse middelen om bewoners voor te lichten: “Bij de geijkte wegen kun je denken aan bewonersavonden, een nieuwsbrief of het betrekken van een buurtvereniging. Stimuleer bewoners ook om de eigen tuin te vergroenen, in plaats van alles dicht te tegelen. Maar ik zou als Stadswerk ook willen nadenken met onze leden over hoe we de betrokkenheid van burgers met hun directe leefomgeving verder kunnen vergroten. We moeten dan denken aan het inzetten van andere manieren, zoals gamification (inzetten van spelelementen en game-technieken, red.) om bewustzijn te vergroten.”
Chris besluit met een andere uitdaging voor de gebouwde omgeving: “Kunnen we gebouwen met groene daken en gevels niet verplichten? Grootschalige toepassing heeft een positieve invloed op het leefklimaat in de stad en de biodiversiteit.” Maar zolang onze vorige minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening – Mona Keijzer – het nog bedenkt om de verplichte nestkasten bij nieuwbouw te schrappen om de regelgeving te vereenvoudigen, lijkt het voorschrijven van groene daken en gevels nog ver weg. Maar wellicht pakken de gemeenten deze handschoen op binnen de omgevingsplannen.


